Introductie – Groot en klein

Doel 0 tot 1,5 jaar: De kinderen spelen met grote en kleine dingen.

Ik ga samen met de kinderen op de grond zitten. Ik heb verschillende grote en kleine bakjes op de grond gelegd. Ook ligt er een kleine en een grote lepel bij. Samen spelen we met de bakjes en de lepels. Ik benoem wat ik de kinderen zie doen. “Die bakjes passen goed in elkaar! Het kleine bakje gaat makkelijk in de grote bak.” Ik laat zien dat je de bakjes ook kunt stapelen. “Wat een grote toren!” De kinderen mogen ook met de lepels in de bakjes roeren. Welke lepel past in welk bakje?

  • V. wil gelijk mee doen. Hij doet alles na wat ik doe. Roeren met de lepel vindt hij leuk. Hij zegt veel “Wauw!”De bakjes in elkaar verstoppen vindt hij ook erg leuk.
  • C. is het enthousiast. Hij wil ook met de bakjes spelen. In iedere hand een bakje en dan tegen elkaar aan slaan. Hij heeft de grootste lol.
  • P. moet ik echt uitnodigen om mee te doen. Hij kijkt eerst alleen op een afstandje. Hij bouwt daarna mee aan de toren. Ook roeren met de lepel vindt hij leuk.
  • M. wil gelijk de blauwe klein lepel. Ze schept er mee in een bakje en wil dan V. voeren. Die vindt het wel grappig. Ze wil ook even met de grote lepel roeren, maar geeft de grote lepel al snel weer af als ze merkt dat ze de andere lepel ook moet delen. Ze zegt “groot lepel”. Het stapelen van de bakjes vindt ze ook leuk om te doen.

 

Belangrijke woorden:

  • aanwijzen
  • bij elkaar
  • groot
  • klein
  • de lepel
  • roeren
Dinsdag 12 september