Kring – Wie zit er in het ei? – 2,5 t/m 4 jaar

Doel: De kinderen geven aan welke dieren uit een ei komen.

Y. en M. zijn samen aan het spelen met de eieren van de thematafel. Y. haalt uit één van de eieren een paar kuikens en zegt; “De kuikens komen uit de buik.” Ik zeg; “Waar komen kuikens uit?” Y. herhaalt dat ze uit de buik komen net als zij. MM. roept heel hard “ei!” MM. heeft gelijk. Kuikens komen uit een ei. We lezen samen het boekje “Wat denk jij? Wat zit er in het ei.”

  • MM. kijkt onder alle flapjes terwijl ze “kijk” zegt. Het ei en kuiken herkent en benoemd ze. De woorden rog en koekoek zegt ze na. Na het lezen zegt ze “nog meer”.
  • Y. zegt bij iedereen pagina “ik weet het”. Ze steekt dan haar vinger op. Sommige dieren die onder het flapje zitten raad ze ook goed.
  • M. probeert te raden welk dier er onder het flapje zit. Bij de flamingo zegt ze “ooievaar”.
  • K. kijkt mee in het boek en wijst van alles aan. Hij zegt de woorden ei, kuiken en rog na. Na het lezen speelt hij met de voorkant van het boek. Hij laat het kuiken steeds tevoorschijn komen.

Na het lezen van het boek kijk ik samen met Y. en M. naar het werkblad. De vraag is welk dier komt uit een ei? We gaan de dieren één voor één af. Eerst vraag ik “Welk dier is dit?” en dan vraag ik “Waar komt ….uit?”

  • Y. herkent de meeste dieren. Ze geeft vaak aan dat het dier uit de buik komt. Bij de vogel zegt ze wel dat hij uit het ei komt.
  • M. herkent alle dieren, zelfs de salamander. Ze geeft vaak aan dat het dier uit een ei komt. Bij de beer zegt ze wel dat hij uit de buik komt.

Bij alle dieren die uit een ei komen mogen ze een streep trekken naar het ei. Aan het eind vraag ik ze om alle dieren die uit een ei komen nog eens op te noemen. Daarna mogen ze de kleurplaat inkleuren.

Donderdag 25 april