kleren thema Oef, wat warm

Doel 0 tot 1,5 jaar: De baby’s ervaren het verschil tussen hun broek aan hebben en hun broek uithebben.
Doel 1,5 tot 4 jaar: De kinderen zien het verschil tussen winter- en zomerkleren.

Ik heb een trui en een sjaal aan. Ik vertel de kinderen dat ik het heel warm heb. Hebben zij het ook zo warm? Hoe komt het dat ik het zo warm heb? Wat heb ik allemaal aan? We benoemen de kledingstukken. Dan kijken we naar de kleding van de kinderen en van Puk. Wat hebben zij aan? Wat hoor je wanneer aan te doen? We hebben een woordkaartje met zomer en één met winter. De kinderen moeten aangeven of ik meer bij de zomer pas of Puk en zo ook met de winter. Wie heeft er een broek aan? Is dat een korte of lange broek? Wie heeft er een T-shirt aan? Heeft het T-shirt korte of lange mouwen? Wie heeft er blote armen? Wie heeft er een rok of jurk aan? We bekijken onze kleding uitvoerig. Daarna pakken we een bak met kleding en kijken samen of het bij de winter of bij de zomer hoort.

  • J.F. kijkt met ons mee en wijst van alles aan. Ik benoem de kledingstukken voor hem. Wanneer ik het vraag dan kan hij ook zijn eigen shirt en broek aanwijzen.
  • M. weet goed dat handschoenen en een sjaal bij de winterkleren horen. Ook dat een zwembroek en de slippers bij de zomerkleren horen. De korte/lange broek en het T-shirt/trui is nog lastig. Ze kan de verschillende kledingstukken benoemen.
  • C. Sorteert met veel gemak alle kledingstukken op de juiste plaats en kan ook alles benoemen.
winterkleren
zomerkleren

Belangrijke woorden:

  • bloot
  • de broek
  • de jurk
  • kort
  • de mouw
  • de rok
  • de trui
  • de winterkleren
  • de zomerkleren
Kring – Een warme trui – 0-4 jaar