De nationale Voorleesdagen is een landelijke campagne die het voorlezen stimuleert aan kinderen die zelf nog niet kunnen lezen of net het lezen hebben geleerd. Tijdens deze campagne besteden ook wij van Gastouderopvang Het Draakje volop aandacht aan voorlees- en prentenboeken. Het prentenboek van het jaar staat hierbij centraal. Dit jaar is dat het boek: Maar eerst ving ik een monster

Maar eerst ving ik een monster van Tjibbe Veldkamp
De verteller (ik-persoon) vertelt een verhaal aan een jongetje in pyjama omdat het bedtijd is. Maar het jongetje zegt dat hij eerst nog een monster moet vangen. Telkens als de verteller de fantasie van het jongetje wil afronden, verzint het jongetje er meer monsters bij.
Het einde blijkt toch geen einde te zijn. Het echte einde is weer het begin van een verhaal. Zo ontstaat een cirkelvertelling en kun je dit prentenboek oneindig voorlezen.


Introductie – Maar eerst ving ik een monster – 0 tot 4 jaar

Doel: De kinderen maken kennis met het boek dat centraal staat dit thema.
We bekijken samen de voorkant van het boek en ik lees de titel voor. Wat zien de kinderen op de voorkant? Wat moet de jongen op de voorkant gaan doen? (slapen) Waaraan kun je dat zien? (hij heeft een pyjama aan) Wat zal er gaan gebeuren? We lezen het boek samen voor de eerste keer.
Hoe vangt de jongen de monsters? Wat doet hij met ze? Hoe zien de monsters eruit? Wat vinden de kinderen van het einde?


Muziek – Maar eerst ving ik een monster – 0 tot 4 jaar

Doel: De kinderen kijken en luisteren naar het lied.
Op Youtube kijken en luisteren we naar een liedje over het boek “Maar eerst ving ik een monster”.


Spel – memorie – vanaf 2 jaar

Doel 2-3 jaar: De kinderen leren op hun beurt wachten.
Doel 3-4 jaar: De kinderen herkennen welke plaatjes bij elkaar horen.
Met deze monster memorie zoeken de kinderen twee de zelfde monsters bij elkaar. Ze moeten wel goed opletten, want sommige monsters lijken erg op elkaar.


Expressie – verhaalkaartjes – vanaf 2,5 jaar

Doel: De kinderen vertellen samen met mij aan de hand van vertelkaartjes een verhaal.
We bekijken de eerste bladzijde van het verhaal nog eens en ik lees het voor. Hoe ziet het monster eruit? De kinderen mogen omschrijven hoe zij vinden dat het monster uit ziet. Kunnen ze ook een naam bedenken voor het monster? Dan pak ik één van de verhaalkaartjes met een voorwerp erop. Wat gebeurd er nu? En daarna? Is het verhaal nu uit? Nee…. Ik pak nog een kaartje met een monster. De kinderen mogen het verhaal zelf verzinnen en ik zal ze sturen door wat vragen te stellen. Ik zal ze stimuleren om het verhaal zo lang mogelijk te maken.


Knutselen – Monster maken – 1,5 tot 4 jaar

Doel 1,5 – 2,5 jaar: De kinderen spelen met de klei en de elementen.
Doel 2,5 – 4 jaar: De kinderen maken een monster van klei en plastic vormen.
We bekijken samen de monsters op het schudblad van het boek. De monsters zien er allemaal anders uit. Hoeveel poten hebben ze? Hoeveel ogen Hoeveel tanden? De kinderen krijgen allemaal een stuk klei om het lijf van een monster mee te maken. Er zijn verschillende vormen zoals; handen, tanden en ogen, waarmee de kinderen hun monster vorm kunnen geven.


Puzzel – Monsters – vanaf 3 jaar

Doel: De kinderen herkennen en sorteren de juiste kleuren en vormen om de puzzel in elkaar te kunnen leggen.
We hebben drie verschillende puzzels van monsters. Het zijn bijzondere puzzels, want ze kunnen de puzzels met elkaar combineren. Het hoofd van het ene monster op het lijf van een ander monster. Of de voeten van de één bij het lijf van de ander. Vele combinaties zijn mogelijk. Uiteraard kunnen ze de monsters ook leggen zoals ze bedoeld zijn.


Tekenen – kleurplaat monsters – 0 tot 4 jaar

Doel 0 -2,5 jaar: De kinderen kleuren een kleurplaat in van monsters.
Doel 2,5-4 jaar: De kinderen tekenen hun eigen monster er vertellen hier over.
Bij het boek zit een kleurplaat. De kinderen mogen dit in kleuren met potlood en waskrijt. Tijdens het kleuren praten we over de kleuren die ze kiezen en wat ze allemaal op de kleurplaat zien. Misschien dat de oudere kinderen zelf een monster kunnen tekenen. Heeft het monster ogen? En een mond? Hoe iet het monster er verder uit?


Bewegen – Hm, ik zie het. Jij vangt nog meer monsters. – vanaf 2,5 jaar

Doel: De kinderen vangen met een hoepel monsters.
Met stoepkrijt heb ik simpele monsters getekend op de tegels in de tuin. De kinderen mogen hierbij helpen als ze willen. Dan geef ik de kinderen hoepels. Ik zeg; “Maar eerst ving ik een monster”. De kinderen met de hoepels gaan dan de monsters vangen.


Afsluiting Thema – bibliotheek voorstelling – 0 tot 4 jaar

Doel: De kinderen kijken en luisteren naar het verhaal.
We gaan naar de bibliotheek toe waar het verhaal aan de hand van het boek wordt verteld. Zo sluiten we het thema af.