Dit thema gaat over de zomer. We kijken naar het verschil tussen zomerkleding en winterkleding. We gaan ijs maken, spelen dat we ijs verkopen en naar ijsklontjes kijken en spelen met water.

Introductie – Puk heeft het warm – 0 tot 4 jaar

thema zomer

Doel 0 tot 1,5 jaar: De baby’s spelen met de sjaal van Puk en ze spelen een blaasspelletje.
Doel 1,5 tot 4 jaar: De kinderen helpen Puk het minder warm te hebben.

Puk staat klaar om op een nieuw avontuur te gaan, samen met zijn koffer vol spullen. F. vraagt meteen waarom Puk een sjaal aan heeft. Puk zegt “Ik heb het warm”, terwijl hij over zijn voorhoofd wrijft. F. vindt dat Puk de sjaal uit moet doen, want er is geen sneeuw. J.F. zegt dat hij geen sjaal aan heeft. Ik vraag hem waarom niet. “Die is weg. Geen sneeuw.”, zegt hij terwijl hij naar buiten wijst. Wat hebben wij dan wel aan? “korte mouwen”, zegt F. Ze wil meteen haar vest uit, want dan heeft ze ook korte mouwen. In de koffer van Puk gaan wij opzoek naar zijn zomerkleding. Dan kleden we puk om. Hij krijgt een zonnebril, zwembroek en waterschoenen aan. Nu is hij klaar voor de zomer. Is de koffer zitten ook ijsjes, daar richten we onze ijskraam mee in. J.F. en F. spelen met de ijsjes.


Kring – Een warme trui – 1,5-4 jaar

warme trui

Doel: De kinderen zien het verschil tussen winter- en zomerkleren.


Ik heb een trui en een sjaal aan. Puk is nog steeds in zijn zomer outfit. N. brengt mij een ijsje, omdat ik het warm heb. Hij voelt aan mijn voorhoofd. J.F. doet hem na. F. zegt dat het komt omdat ik een sjaal aan heb. Wat hoor je wanneer aan te doen? We hebben en woordkaartje met zomer en één met winter. De kinderen moeten of ik meer bij de zomer pas of Puk en zo ook met de winter. We bekijken de kleding die de kinderen aan hebben en dat van mij. De sjaal en trui moeten uit. Daarna sorteren we verschillende kledingstukken/voorwerpen op winter en zomer.

  • J. benoemd zijn shirt. Volgens J. heeft papa dat gedaan. Hij zegt “koen” als hij groen en schoen bedoeld. Hij vond dat de zonnebril van N. was. Het T-shirt noemde hij “van mij”.
  • F. benoemd bij de kledingstukken of het voor de winter is of voor de zomer. Soms lijkt ze niet op het woord te komen en wijst ze naar het juiste plaatje. Het vest kan bij beide vindt ze.
  • Y. kan de verschillende kledingstukken benoemen en sorteren of ze voor de winter of de zomer zijn.
  • J.F. zit erbij en speelt met een auto. Als ik vragen aan hem stel reageert hij. Hij benoemd de sjaal en de korte broek. Hij geeft aan dat hij ook een shirt aan heeft en dat papa die aan heeft gedaan.
  • N. kijkt met ons mee. Hij past de slippers en mag van J. de zonnebril opdoen. Maar hij wilde de bril niet op. Na het passen van de slippers legt N. de slippers bij de zomerspullen weg.

Voorlezen – Kaatje in de zomer – 0 tot 4 jaar

  • N. kijkt mee in het boek en zegt veel “ja” tijdens het lezen. Hij wijst naar de wangen van kaatje en zegt “au”. De wangen van Kaatje zijn rood. N. benoemd de zon, bloem, knuffel, boom, brood, eten, enz. De vogel mag de kersen niet opeten van N., want de kersen zijn voor “de jongen”. Schommelen vindt N. ook leuk en de baby vindt hij lief. Als N. een bladzijde voldoende bekeken heeft dan slaat hij hem om.
  • F. wijst naar de wangen van Kaatje en zegt “verbrand”. Ze benoemd onder andere de kersen, zonnebrand, zwempak en het zwembad. F. wijst naar Kaatje in haar zwempak terwijl ze onder de parasol zit en zegt “Je mag niet poepen in je zwempak”. Bij het stuk over de knuffel die ligt te zonnen zegt ze “Dat gaat niet werken, hè”. Ik vraag haar waarom niet. Ze zegt, “knuffels kunnen niet bruin worden”. F. heeft een punt, het is ook maar een verhaaltje.
  • J.F. kijkt actief mee en zegt F. na. Hij wijst naar de wangen van Kaatje en zegt “verbrand”. J.F. zegt dat ze thuis ook kersen hebben.

Knutselen – ijsjes – vanaf 2 jaar

ijs knutselen

Doel: De kinderen plakken verschillende kleuren cirkels op papier en benoemen de kleuren.
Puk heeft het warm en lust wel een ijsje om af te koelen. Kunnen de kinderen een ijsje maken voor Puk? Ik laat het ijshoorntje zien en vraag wat het is. Niemand weet het. Tot ik er twee cirkels op leg. Dan roepen ze in koor “ijsje!” F. benoemd nu ook het ijshoorntje. F., J.F. en Y. kunnen alle kleuren benoemen en plakken het ijsje zelf. Voor J. doe ik de lijm. Hij kiest de kleuren door ze aan te wijzen. We tellen aan het einde hoeveel bolletjes iedereen op zijn ijsje heeft. N. plakt alle bolletjes netjes in een soort rondje. Zo lijkt het wel een bloem.



Voorlezen – Zomer met Fien en Milo – 0 tot 4 jaar

L. zit bij mij op schoot en slaat de bladzijdes om tijdens het voorlezen. J.F. vertelt wat hij ziet op de pagina’s. Hij weet dat ze geen warme muts nodig hebben, want dat is voor de sneeuw. Hij weet dat ze geen shampoo nodig hebben om naar het strand te gaan. Hij laat met zijn handen zien hoe een krab doet. Hij weet dat Milo in een “kuil” zit als Fien hem niet kan vinden. J.F. doet actief mee tijdens het voorlezen.


Ontdekken – smeltende ijsklontjes – 0 tot 4 jaar

ijsklontjes

Doel 0 tot 1,5 jaar: De baby’s voelen met hun handjes aan ijsklontjes.
Doel 1,5 tot 2,5 jaar: 
De kinderen bekijken en bevoelen ijsklontjes en zien dat ze smelten in de zon.
Doel 2,5 tot 4 jaar: 
De kinderen bekijken en bevoelen en benoemen dat ijsklontjes smelten in de zon.
Puk heeft wat vast. Wat is het? Het duurt even, maar dan zegt F. toch dat het ijsklontjes zijn. We voelen er aan. Het is koud.

  • J.F. wil het niet vasthouden. “Mag niet van mama”, zegt hij dan. (zijn manier om te zeggen dat hij iets niet wil). Hij kijkt naar het ijsklontje dat Puk voor hem op de grond heeft gelegd. “He, wat is dat nou?” zegt J.F. Het ijsklontje wordt kleiner, want het smelt.
  • F. voelt en bekijkt de ijsklontjes. Onze handen worden nat en daar spetteren we mee. F. ziet water in het bakje verschijnen. Ze vraagt zich af waar dat vandaan komt.
  • Puk legt uit dat je van water ijs maakt en als dat ijs smelt dat het weer water wordt. Puk vraagt zich af waar je ijs moet bewaren. F. zegt in de koelkast, want daar is het heel koud. J.F. zegt “Nee!, in de vriezer”.

ijs maken

Ontdekken – IJs maken – 2 tot 4 jaar

Doel: De kinderen zien dat water veranderd in ijs als het in de vriezer gaat.
Samen hebben we van siroop en water, ijsjes gemaakt. Eerst goten we wat siroop in een kan. Daarna het water erbij. Toen waren de ijsjes klaar om de vriezer in te gaan. Het duurde wel een paar uur voordat het echte ijsjes waren.


F. en ik poetsen samen de bolderwagen en de tuintafel. F. met de spons en ik met een doekje. Na een paar vegen is de spons vies/zwart. Dus spoelt F. hem uit. Knijpen in de spons zorgt voor allemaal extra sop. F. vindt het erg leuk. Als we klaar zijn is het water helemaal zwart. F. geeft aan dat we er nu niets meer mee schoon kunnen maken, dat het nu alleen nog maar vies kan worden. We besluiten het water weg te gooien in de prullenbak. Nu zit er allemaal zand in de emmer. Hoe komt dat daar? “Heb ik niet gedaan.”, zegt F. Maar dat hebben we wel samen gedaan. “Het komt van de wagen.”, zegt ze dan. En dat klopt.



Ontdekken – Spetterdespat, lekker nat – 0 tot 4 jaar

Doel 0 tot 1,5 jaar: De baby’s spelen met water.
Doel 1,5 tot 2,5 jaar: De kinderen zien dat sommige voorwerpen op het water drijven en andere voorwerpen zinken.
Doel 2,5 tot 4 jaar: De kinderen begrijpen dat sommige voorwerpen op water drijven en andere voorwerpen zinken.
Puk heeft een handdoek om zijn schouders, waarom zou dat zijn? Wat zou Puk hebben gedaan? Wanneer ik de handdoek van Puk af haal ligt er een badeend bij Puk op schoot. Puk is in het water geweest! Puk vertelt dat hij samen met de eend lekker heeft gespetterd in het water. Willen de kinderen ook mee spetteren in het water?


Thema – Oef wat warm! – augustus