Introductie – Ik ben kunstenaar

Doel 0-1,5 jaar: De baby’s voelen de materialen.
Doel 1,5-2,5 jaar: De kinderen maken kennis met de verschillende materialen.
Doel 2,5-4 jaar: De kinderen benoemen de materialen.
De koffer van Puk staat weer in de kamer. Wat zit er deze keer in? En waar is Puk gebleven? We maken samen de kist open. Puk zit in de kist. Hij vertelt dat hij erin is gevallen toen hij op zoek ging naar verfspullen. De kleding van Puk zit helemaal onder de verfvlekken. Hij was vergeten een verfschort aan te doen tijdens het schilderen. Samen met de kinderen bekijken we wat er in de kist zit. Wat is het? Wat kun je er mee doen? Samen richten we het atelier in. Puk gaat op een kruk zitten om te poseren. We tekenen Puk op ons bord. Wat moet er allemaal op het schilderij komen? We benoemen de lichaamsdelen. Puk moet wel stil zitten, want anders is het moeilijk om hem te tekenen. Als we klaar zijn maak ik er een mooie foto van.

  • F. ziet de kist van Puk staan en vraagt waarom de kist van Puk er weer is en waarom er verfvlekken op zitten. Ze ziet Puk niet en zegt dat Puk vast in de kist zit. Nadat we de kist openen en Puk tegen komen geeft ze aan dat hij het verfshort aan had moeten doen. Bij het schilderen kan F. goed vertellen hoe Puk eruit ziet en wat we nog moeten schilderen. We mogen van haar niet over het gezicht van Puk, dat we gemaakt hebben, heen schilderen om de mond te maken. “Maar waar moet de mond van Puk dan?”, vraag ik. Ik wijs op een leeg stuk op het blad. Maar daar moet de mond inderdaad niet. F. lacht. Zij maakt de ogen en de schoenen van Puk. Ze vertelt precies aan Puk hoe we zijn schilderij gemaakt hebben. Dan gaat F. nog een eigen schilderij maken.
  • N. doet zijn hand voor zijn mond en zegt “O” als hij de vieze kleren van Puk ziet. Hij wijst van alles aan in de kist en pakt verschillende kwasten. Hij ziet het boek van Nijntje en begint met lezen. Als we Puk gaan schilderen zegt N. “ook ook”. Hij maakt de muts van Puk. N. gaat een klein beetje scheef dus doen we het een beetje samen. N. benoemd de mond, het oog, de oren en de buik. Hij kan de juiste kleuren die we nodig hebben aanwijzen op het pallet.
  • T. zit op mijn schoot en kijkt mee terwijl we de kist van Puk openen. Ik geef hem een kwast aan om vast te houden. Daarna gaat hij verder spelen.
  • J.F. pakt van alles uit de kist, benoemd de kwast en geeft de dingen aan mij aan. Hij helpt met de spullen op de thematafel leggen en het aankleden van het krijtbord. Bij het schilderen benoemd J.F. de mond, ogen en handen. Hij tekent de handen van Puk op ons schilderij. Nadat alles klaar is vertelt hij aan Puk wat hij geschilderd heeft en wat F. heeft gedaan. Met het benoemen en aanwijzen van de kleuren oefenen we nog.

Hoek – Atelier mijn portret

Doel 0-1,5 jaar: De baby’s kijken met mij in de spiegel.
Doel 1,5-2,5 jaar: De kinderen benoemen de onderdelen van hun gezicht en maken een gezicht.
Doel 2,5-4 jaar: De kinderen benoemen de onderdelen van hun gezicht en schilderen het.
Wat heeft Puk in zijn rugzak? Een spiegel, wat kun je daar mee doen? Wat zien we in de spiegel? Zien we Puk helemaal of alleen zijn gezicht? De kinderen mogen als kunstenaar aan de slag om een zelfportret te maken. De kinderen kijken in de spiegel naar hun gezicht. Wat willen ze allemaal gaan schilderen? We benoemen de delen van het gezicht. Ze mogen het verfschort aan en met de kwasten en de verf gaan schilderen. Met de baby’s kijk ik in de spiegel en wijs de delen van hun gezicht aan terwijl ik het liedje zing “Dit zijn mijn wangetjes”. Als het kunstwerk van de kinderen klaar is mogen ze aan Puk vertellen wat ze allemaal geschilderd hebben.

  • K. vertelt welke delen van het gezicht hij nog moet schilderen. De kleur voor zijn haar zit er niet tussen. Hij zegt “die moet ik mengen”. Zo gezegd zo gedaan. Hij mengt twee kleuren samen en is dan wel tevreden. Hij kijkt goed in de spiegel in doet zijn best. Na afloop als hij alle portretten bekijkt vind hij dat zijn oren lijken op die van een konijn.
  • F. zegt dat haar ogen wit, blauw en dan zwart zijn. Dit maakt ze ook zo op haar portret. Super knap van haar. Ze kan alle dele van het gezicht benoemen en de kleuren ook.
  • N. kan alle delen van het gezicht aanwijzen en benoemen. De basis (ronde huidkleurige gezichtsvorm) maken we samen. Wat leuk om te zien dat hij alle onderdelen van het gezicht helemaal zelf op zijn portret op de juiste plek kan plaatsen. Hij kijkt goed in de spiegel.
  • J.F. heeft duidelijk zin om te gaan schilderen. Op de vraag hoe zijn gezicht eruit ziet en wat hij allemaal in de spiegel ziet kan hij geen antwoord geven. Hij gaat voortvarend aan de slag. Ik geen een beetje sturing zodat de onderdelen van het gezicht op de juiste plek komen.

Na afloop bekijken we het portret en zingen het lied “Dit zijn mijn wangetjes” om te controleren of we niets zijn vergeten op het gezicht.


Kring – Wij bekijken beelden

Doel 0-1,5 jaar: De baby’s bekijken de beeldjes en houden ze vast.
Doel 1,5-2,5 jaar: De kinderen kijken, voelen en zeggen wat zij denken dat het beeld voorstelt.
Doel 2,5-4 jaar: De kinderen vertellen wat de beelden naar hun idee voorstellen.
Wat heeft Puk in zijn rugzak? Het is een beeldje. Wat kun je daar mee doen? Wat is het? Een dier, een mens, iets anders? Puk zegt dat hij ook een doos met spulletjes meegenomen heeft van de rommelmarkt. We maken de doos open en pakken er een beeldje uit. Wat is dat? Het is een beeld. Voel het hard of voelt het zacht? Vind je het mooi? Waar kun je een beeld voor gebruiken? Puk vertelt dat hij soms dingen weg zet gewoon omdat hij het mooi vind. Vindt iedereen het mooi? Dat hoeft niet. Bij kunst kan iedereen zelf bepalen of hij het mooi vindt of niet. We bekijken alle beelden uit de doos en bespreken ze.

  • J. voelt aan de rugzak en zegt “open”. Hij bekijkt de beeldjes stuk voor stuk en gooit ermee. Dat klinkt niet allemaal het zelfde. Hij test het een beetje uit. Het metalen pionnetje lijkt het meest in de smaak te vallen, hier blijft hij mee op de tegels “gooien”.
  • T. zit bij mij en kijkt mee. Na een tijdje pakt hij ook beeldjes uit de bak en bekijkt ze uitvoerig.
  • N. voelt aan de rugzak van Puk en maakt hem open. Hij voelt en bekijkt de beeldjes. Als hij de pion laat vallen hoor je dat goed. We testen hoe de verschillende beeldjes klinken als we ze laten vallen op de tegels.
  • J.F. ziet het beeldje uit de rugzak en benoemd de neus, mond, ogen en oren van Puk. Hij voelt aan de beeldjes en bekijkt ze. De draak is boos zegt hij. Het andere beeldje is gewoon blij. J.F. steekt zijn tong uit net als het beeldje en iedereen doet hem na.
  • F. voelt aan de rugzak van Puk. Ze pakt alle beeldjes vast en bekijkt ze. Ze kan benoemen dat ze van steen, glas of plastic zijn gemaakt. Ze vindt de “schildpad” het leukst en laat hem van de glijbaan glijden.

Knutselen – Ik maak een beeld

Doel 1,5-2,5 jaar: De kinderen maken een beeld van klei en laten aan Puk zien wat ze gekleid hebben.
Doel 2,5- 4jaar: De kinderen maken een beeld van klei en vertellen aan Puk wat ze gekleid hebben.
Kijk eens, Puk wil ons iets laten zien! Wat heeft Puk daar? Hij heeft een beeldje van klei. Dat is Puk, nagemaakt van klei. Lijkt het beeld op Puk? Wat is het zelfde? Wat is anders? De kinderen mogen met de klei aan de slag. We verkennen de klei, hoe voelt het? Hoe ruikt het? Is het hard of zacht? Je kan er in kneden. Ik laat zien hoe je er een bal van kunt rollen en hoe je daar weer een slang van kunt maken. Willen de kinderen iets aan elkaar plakken? Dan moeten ze de klei een beetje nat maken. Het gaat bij deze activiteit om het proces en niet zozeer om het product. Samen met Puk en de kinderen bekijken we de beeldjes die ze hebben gemaakt. Vonden de kinderen het leuk om te kleien? Willen ze aan Puk vertellen wat ze hebben gemaakt?

  • K. ziet nu pas het beeld van Puk. Hij zegt dat het een kerstman is. Hij benoemd de oren, ogen, neus en mond. Hij gaat aan de slag met de klei en probeert mij na te doen met het maken van een balletje. Met de kleiroller maakt hij het platter. Met een stokje maakt hij dan ogen en een mond. Dan vind hij het werkje af. Met nog wat nieuwe klei is hij aan het kneden en rollen, hij maakt hier geen product van en de klei kan weer terug in de bak.
  • N. kneed met de klei. Hij probeert mij na te doen met het maken van een slang. Ook doet hij mij na met het maken van ogen en een mond. Hij heeft het helemaal zelf gedaan en had een mooie slang als resultaat.
  • F. vraagt om de kleiroller. Ze maakt haar klei plat en rolt het op. Zo is het een slang zegt ze. Dan maakt ze er weer een bolletje van. Ze speelt met de klei en heeft uiteindelijk twee werkjes. Een baby slang en een kunstwerk noemt ze het. Met een stokje heeft ze er ook nog wat ingeprikt.

Spel – Ik zoek kleuren

Doel 0 – 1,5 jaar: De baby’s luisteren naar het liedje en kijken naar voorwerpen.
Doel 1,5-4 jaar: De kinderen luisteren naar het liedje en zoeken de kleuren.
Wat heeft Puk in zijn rugzak? Twee blokjes, een gele en een blauwe! Waarom heeft Puk deze blokken in zijn tas? Puk wil graag kleuren zoeken. Ik ken wel een liedje over kleuren zoeken. “Rood rood, ik heb geen rood. Moet nog rood gaan zoeken, hier in alle hoeken.” Puk kijkt verdrietig. Hij heeft geen rood. Kunnen de kinderen iets in de kleur rood voor Puk zoeken? We herhalen het lied bij de kleur groen, blauw en geel. Ik laat aan de baby’s de verschillende voorwerpen zien en benoem welk voorwerp het is met welke kleur. De kinderen mogen aan Puk vertellen wat ze allemaal gezocht en gevonden hebben. We zingen nog eenmaal alle kleuren die aan bod zijn gekomen en dan ruimen we alle voorwerpen weer op.

  • F. denkt dat er weer beeldjes in de rugzak van Puk zitten. Ze pakt tijdens de activiteit met gemak de voorwerpen met de juiste kleuren en geeft ook voorwerpen aan N. en mij. Na afloop benoemd ze welke kleuren zij allemaal heeft.
  • T. voelt aan de rugzak van Puk en maakt hem samen met mij open. Hij pakt een blok uit de rugzak. Ik geef iedere keer een voorwerp aan T. en benoem dan de kleur. T. pakt alles vrolijk aan. Hij bouwt een toren met de blokken (ik benoem de kleuren die hij gebruikt) en gooit de toren om.
  • N. voelt aan de rugzak van Puk en pakt er ook een blok uit. Hij wijst tijdens de activiteit verschillende voorwerpen aan en ik benoem dan de kleur. Op de vraag “Heb jij ook blauw?” wijst hij zijn shirt aan. Toeval? Het shirt was inderdaad blauw.

Tijdens het opruimen benoem ik welke kleuren die kinderen in de bak gooien.


Knutselen – Mijn mozaïek

Doel 0-1,5 jaar: De baby’s kijken samen met mij naar de mobile.
Doel 1,5-2,5 jaar: De kinderen maken met de vormen een mozaïek en maken kennis met kleuren en vormen.
Doel 2,5-4 jaar: De kinderen maken met de vormen mozaïek en benoemen kleuren en vormen.
Wat heeft Puk in zijn rugzak? Allemaal vormen! Puk wijst de vormen aan en vertelt wat hij ziet. De driehoek, het vierkant en de rechthoek, in allemaal verschillende kleuren. Wat kun je daar mee doen? Ik leg de stukjes aan elkaar en maak zo een figuur. De kinderen mogen ook ontdekken wat je met de verschillende figuren kunt doen. Ze mogen het figuur zo vaak veranderen als ze willen. Als ze een figuur hebben dat ze willen behouden dan plakken we het op papier. Aan het einde bekijken we samen alle mozaïeken. Wat zijn ze mooi geworden! De kinderen mogen aan Puk vertellen hoe ze de mozaïek gemaakt hebben. Voor de baby’s hangt boven de box een mobiel met de zelfde vormen en kleuren. Tijdens dit thema zal ik de baby’s hier meerdere keren op wijzen. Ik benoem de vormen en de kleuren. Ik blaas er tegen om ze te laten bewegen.

  • K. maakt met de vormen een “schietding” zegt hij. Hij pakt in eerste instantie alleen geel en legt alle vormen op elkaar. Ik vraag hem of hij ook andere kleuren wil hebben. Dat vind hij wel goed. Ik benoem de kleuren voor hem. “Wat ga je maken?”, vroeg ik. “Een trein”, zei hij. We hebben geen ronde vormen voor de wielen. Ik stel voor om dan maar vierkanten te gebruiken. Door middel van vragen stellen krijgt de trein van K. vorm. Zo vraag ik of er ramen in de trein zitten en hoe het dak van de trein eruit ziet. Hij legt alles zelf op het papier. Het opplakken van de stukken daar heeft K. niet zoveel zin in, hij wil wat anders gaan spelen. Hij geeft aan dat ik het wel op mag plakken.
  • N. pakt zoveel mogelijk vormen. Ik zeg dat we er iets mee moeten maken (i.p.v. enkel verzamelen) en laat hem zien hoe ik een huis maak. Hij zegt “huis”. Hij lijkt nu ook vormen aan elkaar te leggen. Zodra hij papier krijgt dan legt hij echt iets. Ik benoem de kleuren en vormen die hij pakt. Hij maakt mijn huis na en zegt weer “huis”. Super knap van hem! Met plakken help ik met de lijm om het papier doen. Dan kan hij het helemaal zelf vastplakken op het papier.
  • F. benoemd de kleuren en ik de vormen. Ze legt van alles neer. Een “raket” en een “waterfortuur” (wat dat ook is) die mij kan redden. Ze wil een ster maken zegt ze. Dat is nog best lastig met deze vormen. Ze krijgt een papier om haar werkje op de maken. Als ik dan vraag “Wat ga je maken?” zegt ze “dinosaurus”. Ze legt alles op papier. Één van de vormpjes die ik had gemaakt vond ze ook leuk dus dat legt ze erbij. Nu was het een dino die blaadjes eet, zei ze. Ik help F. met voldoende lijm om de verschillende stukjes doen. F. weet precies hoe ze het op wil plakken.
  • J. zegt de kleuren blauw, rood, paars en groen na. Hij zegt steeds “nog” als hij nog een vorm wil kiezen. Hij kiest de vormen, ik doen er lijm op en plakt de vormen vervolgens op zijn papier. J. wijst nadien alles aan op zijn blad. Ik benoemd dan welke kleur de vorm heeft die hij aanwijst.

Knutselen – Ik maak een Mondriaan

Doel 0 -1,5 jaar: De baby’s kijken naar de schilderijen van de kinderen en ik benoem waar de baby naar kijkt.
Doel 1,5 – 4 jaar: De kinderen maken een schilderij.
Puk laat het schilderij zien en vertelt dat de meneer die het gemaakt heeft Mondriaan heet. Mondriaan is een bekende kunstenaar! Puk wil dat ook wel maken. Puk laat alle materialen zien; het grote vel papier, de zwarte stroken en de kleurtjes. We plakken de zwarte stroken op het witte vel. Nu hebben we tussen de stroken vlakken gemaakt. Hebben de kinderen een rechthoek? Of een vierkant? Kunnen ze dit aanwijzen? We gaan sommige van deze vlakken inkleuren met wasco, potlood of stift. De kinderen mogen zelf kiezen wat ze gebruiken. Puk kijkt hoe de kinderen te werk gaan. Hij zegt wat hij de kinderen ziet doen en stelt vragen. Welke kleur kiezen de kinderen? Wat gaan ze inkleuren? Als de schilderijen klaar zijn hangen we ze aan de muur. Met de baby’s bekijk ik de resultaten. Ik benoem waar de aandacht van de baby naar uit gaat.

  • F. benoemd geel, blauw, rood en wit. Om de kleur zwart te omschrijven wijst ze naar de stroken en dan zegt ze “die zijn het zelfde”. Ik doe lijm op haar stroken en ze plakt het zelf op. Bij het inkleuren blijft ze netjes tussen de lijnen. Ze kleurt drie vlakken in, ieder een andere kleur, precies zoals het voorbeeld. Als ze dat gedaan heeft dan maakt ze met een blauwe kleur nog een rondje, zoals ze het zelf noemt. Dan is ze klaar met dit werkje en gaat ze van de reststukken nog een eigen kunstwerk maken.
  • J.F. benoemd rood, blauw en geel. Ik doe lijm op de stroken en hij plakt ze zelf op. Hij kiest daarna een kleur en gebruikt één kleur per vlak. Hij wil op de zwarte stroken kleuren, maar dat is bij dit werkje even niet de bedoeling. Nadat hij klaar is met zijn werkje maakt hij nog een vrije tekening.
  • T. bekijkt het schilderij dat Puk laat zien uitvoerig. Ik benoem voor hem de kleuren die we zien. Ik doe lijm op de stroken en hij plakt ze zelf op. Dan gaat hij met de kleurtjes aan de slag. Netjes één kleur per vlak, niet helemaal binnen de lijntjes.
  • N. bekijkt de Mondriaan die Puk laat zien uitvoerig en houd hem bij zich. Ik doe lijm op de stroken en hij plakt ze zelf op. Dan gaat hij de vlakken inkleuren en kiest de kleuren zelf. Ik benoem de kleuren die hij kiest. Hij gebruikt verschillende kleuren in één vlak.
  • J. bekijkt samen met mij het schilderij dat Puk laat zien. J. wijst de kleuren aan en ik benoem welke kleur het is. Hij zegt dit vervolgens na. Ik doe lijm op de stroken en hij plakt ze zelf op. Na iedere strook zegt hij “meer”. Hij kiest een kleur en kleurt netjes in de vlakken. Hij is wel een grappenmaker en zegt tussendoor “hier” terwijl een krijtje op de zwarte streep zet. Je kunt duidelijk aan zijn gezicht en gedrag merken dat hij door heeft dat het niet de bedoeling is dat je op de zwarte stroken kleurt. Hij moet er om lachen. Wanneer hij er klaar mee is zegt hij “klaar”.

Voorlezen – Nijntje in het museum

Doel 0-1,5 jaar: De baby’s kijken naar de voorwerpen in het mandje.
Doel 1,5- 4 jaar: De kinderen luisteren naar het voorleesverhaal en spelen het na met Puk.

Dit boek heb ik interactief voorgelezen met verschillende voorwerpen. Het Nijntje museum had ik nagemaakt. Zo kon Nijntje door het museum lopen terwijl ik aan het voorlezen was. De kinderen vonden dit erg leuk.

  • F. doet actief mee. Ze benoemd alle kleuren en reageert op vragen. Het beeld van de beer noemt ze eerst een knuffelbeer, maar dan voelt ze en hij is hard. Dat is niet fijn om mee te knuffelen. Haar aap is zacht.
  • J.F. kijkt naar de materialen en luistert mee naar het verhaal.
  • N. benoemd de appel en de beer. Hij kijkt actief mee en wil alles vastpakken. Nadat Nijntje naar huis is zegt hij. “Waar is Nijntje nou?!?” Ik haal Nijntje weer tevoorschijn en daar moet hij om lachen. Bij het naspelen van het spel laat hij Nijntje ook “naar huis” gaan en dus verdwijnen achter het blauwe karton.
  • K. noemt de schilderijlijst van de appel groen. De Mondriaan wil hij ook maken zegt hij. Hij wijst naar van alles en doet actief mee, hij beantwoord vragen. Als ik naar de volgende bladzijde ga en vergeet de poppetjes te ver plaatsen zegt hij “loop ze verder?”.

Afsluiting – Het museum

Doel 0 – 1,5 jaar: De baby’s kijken samen met mij naar de kunstwerken.
Doel 1,5- 2,5 jaar: De kinderen bekijken samen met mij hun kunstwerk en zetten het neer of hangen het op.
Doel 2,5- 4 jaar: De kinderen richten de tentoonstelling in. Zij weten hoe het er aan toe gaat in een museum. Ze vertellen wat zij gemaakt hebben.

Puk heeft een filmpje gemaakt waarin hij uitlegt wat we dit thema gedaan hebben. Samen met de kinderen bekijk ik het filmpje en ik leg uit dat de kinderen mogen vertellen en laten zien wat we gedaan hebben. Ieder kind maakt zijn/haar eigen filmpje. Dit stuur ik vervolgens naar de ouders zodat zij ons museum van kunstwerken kunnen bekijken door een rondleiding die door hun eigen kind wordt gegeven. De kinderen bekijken samen met mij ook alle filmpjes op de tv. Ze vinden dit erg leuk om te zien. Alleen F. zei tijdens haar filmpje met een boze blik en een arm in haar zij tegen mij “Je moet er niet doorheen praten!” Want ook mijn stem was even te horen op haar filmpje. Volgens mij hebben alle ouders er ook van genoten. Hier onder kun je de video zien die Puk als inleiding heeft gemaakt voor alle video’s van de kinderen.

Thema – Puk is een kunstenaar – mei/juni